ER WAS EENS...

2022

99ste LICHTSTOET

Wegwijzer van de Lichtstoet: hoek Brusselsesteenweg/Franse Vaart (start), Brusselsesteenweg, Van Lokerenstraat, Hovenierstraat, Brusselsesteenweg, Van Lokerenstraat, Ledebergplein
Vertrek publiciteitscaravaan 21.00u - vertrek 97ste Lichtstoet 21.30u
Organisatie: vzw Nationale Ajuinmarkt-comité Ledeberg in samenwerking met de Stad Gent

Volgende wagens werden ontworden en zullen gebouwd worden.

Pinokkio (ontwerpster: Patricia Vereecke, bouwer: Lochtandjuuns)

Er was eens... een poppenmaker Geppetto, hij maakte een pop en noemde ze Pinokkio, alle, maar dan in het Italiaans: Pinoccchio.
Het verhaal komt uit het boek van Carlo Collodi (een stadje is Italië zoals veel mensen vroeger genoemd werden naar hun geboortedorp, denk maar aan Leonardo da Vinci. Het boek werd pas in 1915 vertaald in het Nederlands. Walt Disney maakte er in 1940 een tekenfilm over.
“Ik wens dat je een echte jongen wordt” moet Geppetto toen gedacht hebben en zoals je weet horen feeën wat je denkt. Kan soms vervelend zijn denk ik zo!
En zo werd de houten pop tot leven gebracht. "Pinokkio, als je braaf, eerlijk en aardig bent, word je op een dag een echte jongen," zei de Blauwe Fee. "Pinokkio, als je braaf, eerlijk en aardig bent, word je op een dag een echte jongen," zei de Blauwe Fee.
Geppetto stuurt Pinokkio naar school, maar het ondeugende jongentje vindt het leuker andere dingen te doen. Toen de fee kwam vragen waarom hij niet naar school was gegaan loog Pinokkio er op los. Dom natuurlijk, want een fee weet dat, en zo strafte ze hem door bij elke leugen zijn neus langer te laten worden. Nog niet opgevallen dat sommige politici ook nogal een serieus kanon hebben staan?
Het ene avontuur na het andere beleefde hij, onder andere ook op het zogezegde “Pleziereiland”. Telkens loog hij hierover.
Maar op een dag liep het mis. Toen hij thuis kwam zag hij zijn vader Geppetto niet. Ook Jimmy Krekel, die door de fee was aangesteld om Pinokkio te helpen wist niet wat er gebeurd was. Een duif kwam aangevlogen, met een briefje om de hals. Merkwaardig in de tijd dat de dieren nog spraken, maar goed, misschien een duif met een zere keel. Op het briefje stond dat Geppetto ongerust was waar Pinokkio bleef en hem was gaan zoeken aan zee. Daar was hij opgeslorpt door Monstro, een walvis. Remenber Moby Dick moet Pinokkio gedacht hebben, hoewel zijn literatuurkennis niet erg groot was. Hij spoedde zich naar zee en sprong recht in de muil van de walvis, want tenslotte was hij nog steeds van hout. In de buik trof hij zijn vader aan. Om uit de vis te geraken maakte Pinokkio een vuurtje met wat wrakhout dat in de maag werd aangetroffen, misschien een reststandje van de gezonken Moskva uit de Zwarte Zee. Door de rook moest de walvis niezen, wat in corona tijden ongewenst is. Geppetto Geppetto en Pinokkio vlogen in zee, en het poppetje trok Geppetto aan wal, want hout drijft gemakkelijk.
De fee was heel tevreden over het gedrag van Pinokkio en hij werd zoals belooft een echte jongen. Uiteindelijk is Geppetto's wens voor een echte zoon in vervulling gegaan.

Assepoester (ontwerp: Willy Coppens, bouwer: ´t Comiteetje)

De bekendste versie van het sprookje stamt uit 1697 en is afkomstig uit de bundel Sprookjes van Moeder de Gans van de Franse schrijver Charles Perrault.
Een meisje wordt verplicht al het huishoudelijke werk te doen voor haar gemene stiefmoeder en haar twee vervelende dochters. Omdat ze alle vuile werkjes moet opknappen, zoals de haard uitkuisen en aansteken, wordt ze spottend Assepoester (assepoetster) genoemd (oorspronkelijk Frans sprookje: Cendrillon, cendre = as)
De koning beveelt dat alle huwbare meisjes van het land naar het bal moeten komen. “Een vleeskeuring” want de prins wil trouwen. Hopelijk is dat land niet te groot of is er een geweldig grote balzaal!
De twee dochters krijgen heel mooie jurken, Assepoester moet het met afgedankte lompen stellen.
Natuurlijk heeft de boze stiefmoeder geen rekening gehouden met het feit dat in sprookjes ook goede feeën opduiken die fantastische dingen kunnen doen. Zoals een wondermooie baljurk laten maken, een pompoen veranderen in een koets getrokken door muizen die voor de gelegenheid prachtige paarden worden. Natuurlijk moeten ook de sjofele schoeisels wat aangepast worden, het worden glazen muiltjes, al of niet met rode zolen (Louboutin heeft dit afgekeken, denk ik)
Mooie sprookjes duren niet lang zegt men, ook de betovering zal om middernacht afgelopen zijn. Assepoester kijkt op haar uurwerk en verlaat vliegensvlug het bal en in haar haast verliest ze een glazen muiltje dat bij wonder niet verandert in de lelijke slof.
De prins, die een opmerkelijk goede observeerder is of enkel naar de schoenen kijkt, was door dat meisje erg gecharmeerd en wil haar als zijn toekomstige.
Iedereen moet dus de dagen daarna terug naar het paleis om het glazen muiltje te passen. En wat raad je, enkel bij Assepoester past het. Stel je voor dat het bij een andere ook zou passen, dan is het geen sprookje meer natuurlijk! Bon, happy end, en ze leefden nog veel en hadden lange kinderen of zoiets.

Belle en het beest (ontwerper: Jos Pattijn, bouwer ´t Zieverstroatse)

Is een traditioneel volksverhaal. De eerste gepubliceerde versie was een vertolking door Madame Gabrielle-Suzanne Barbot de Villeneuve in 1740. Een familie, vader, twee dochters en een zoon (weinig kinderen in die tijd blijkbaar) is in armoede verzeilt. De vader gaat op zoek om zijn kinderen te behoeden voor nog verdere armoede. Hij verdwaalt en komt terecht in een kasteel waar hij op een bijzonder gastvrije manier wordt ontvangen, echter is er geen gastheer of personeel te zien. En nee, robots waren er nog niet! Beetje logisch denken hé, we schrijven 1740.
Op een dag (’s nachts zou zinloos zijn) loopt hij door de kasteeltuin en ziet prachtige rozen. Hij plukt er een voor zijn dochter Belle. En plots staat er een vreselijk monster voor hem, tierend en briesend, hoe hij het aandurft om een roos te stelen. Vader vertelt met angstige stem dat hij dit deed voor zijn dochter. Het beest eist dat hij de dochter gaat halen en naar het kasteel brengt.
Vader kijkt op zijn smartphone hoe hij de weg naar huis kan terug vinden, want hij was toch verdwaald zei ik!
Tijdens haar lange verblijf in het kasteel doet het beest elke avond een aanzoek, Belle weigert natuurlijk, hoe zou je zelf zijn met zo’n lelijk, gevaarlijk, razend geval? Telkens rent hij tierend weg, dus toch niet zo’n slecht karakter? Van “Metoo” was nog geen sprake nochtans.
Belle krijgt regelmatig vreemde dromen waarin een fee haar vertelt dat alles goed zal komen.
Na een jaar mag Belle voor drie dagen naar huis, naar broer en zus. Ze krijgt prachtige geschenken mee voor hen. Zelf heeft ze ook zeer mooie dingen gekregen die ze aan broer en zus toont. Zij worden zo jaloers dat ze beletten dat Belle terug kan naar het kasteel.
De drie dagen zijn verstreken, ze droomt nu dat het beest op sterven ligt in de prachtige kasteeltuin en ontvlucht het huis. Medelijden verandert in liefde en het beest wordt een mooie jonge prins. Iets wat ooit een kikker ook al eens had meegemaakt!
Bon, het einde kan je al zien aankomen, hoef geen tekeningetje bij.
In 1991 bewerkte Walt Disney Pictures het verhaal tot een tekenfilm.

De tuinman en de fakir (ontwerper: Marc De Kerpel, bouwer: De Plakvliege)

Een sprookje uit de Efteling.
Op een dag krijgt een schatrijke sultan een cadeau van een bevriende emir. Een soort ui, ja, wat kan je verzinnen als geschenk voor een schatrijk iemand? Een blikje erwtjes? Een stofzuiger?... Nee, natuurlijk niet, het moet iets speciaal zijn. Een bloembol, een tulpenbol, waarvan een vroegere paus zou zeggen: ”Betankt veur die ploemen uit Olland”. En natuurlijk was het niet één bol, maar duizenden.
De tuinman plantte toch eens voor de aardigheid zo’n bol in de grond, in beton of asfalt zou dit maar dom zijn.
De sultan werd ziek, zwaar ziek, de horde dokters en kwakzalvers kon hem niet genezen, een viroloog met een V-vormige pull werd er bij gehaald, maar ook dat kon niet baten.
Toevallig kwam er eens dorstige zwerver langs, de tuinman gaf hem wat te drinken (er is nooit achterhaald of dit water was of een Gentse strop of een Duvel bijvoorbeeld) Nu zijn droge keel gesmeerd was speelde hij op een vreemd instrument, een soort fluit, en waar die ene bol geplant was kwam er vliegensvlug een mooie rode tulp uit de grond. De fakir, een arm iemand die wonderen kan verrichten en daarvoor bedankt wordt met een geschenk, als teken van rechtvaardige verdeling van de rijkdom (tegenwoordig hebben we hier geen fakirs meer, de regering is er naar op zoek) sprak: “De sultan is ziek omdat hij te rijk is en hij zal enkel genezen als hij blij is met de schoonheid van sommige dingen, zoals die bloem.”
De tuinman zette de bloem naast het ziekbed van zijn baas en ja... die genas zienderogen en de dag erna verscheen hij aan het balkon. De tuinman had op aanraden van M. uit Ranst alle bollen geplant, de fakir speelde fluit en honderden rode tulpen kwamen tevoorschijn. De sultan stond op zijn balkon, tranen van geluk liepen over zijn wangen.
De ziekenkas blij, weer een patiënt minder!

Hans en Grietje (ontwerpster: Patricia Vereecke, bouwer: Klinkende 8)

Niet te verwarren met Klein Duimpje van Charles Perrault.
De bekendste versie is die van de gebroeders Grimm, uitgebracht in 1812.
Hans en Grietje groeien op in een arm gezin, bij vader die houthakker is en de stiefmoeder, misschien wel een zus van de stiefmoeder van Assepoester, want een al even onaardige vrouw. Ze stelt voor om met de kinderen het bos in te gaan en ze daar achter te laten, tegen de zin van de vader natuurlijk maar ja... met zo’n vrouw!
Het huisje heeft nogal dunne muurtjes en de kinderen horen wat hen te wachten staat. Hans is echter een snugger ventje, op zijn tenen verlaat hij die nacht het huis en stopt zijn zakken vol kiezelsteentjes. Gelukkig was de weg waar ze woonden niet met kasseien aangelegd.
Op de tocht de volgende dag dropte hij telkens een steentje. De ouders hadden de kinderen “even” alleen gelaten en zouden ze hen “straks” weer opzoeken, wat uiteraard dus niet gebeurde en de kinderenlang bleven wachten. In het licht van de volle maan die op de kiezels weerkaatste vonden Hans en Grietje gemakkelijk de weg naar huis.
Stiefmoeder was boos, omdat ze zo laat thuis waren en de kinderen vertelden, nogal naïef, over de steentjes.
Enkele tijd later is er opnieuw te weinig eten voor vier, de kinderen moeten weer achtergelaten worden. Stiefmoeder, ook niet van de domste, heeft de deur op slot gedaan zodat Hans geen steentjes kon rapen. Hans spaart zijn boterham tijdens het ontbijt. Op de tocht pulkt hij kleine brokjes en kruimeltjes af om het spoor aan te leggen. Maar de vogels zagen dat wel zitten en speelden ze met smakvolle happen naar binnen.
Het gevolg laat zich raden, de kinderen verdwalen en vinden de weg niet terug. Een sneeuwwit vogeltje krijgt wroeging en leidt de kinderen naar een huisje in het bos, eentje dat niet volgens de huidige EPB-normen gebouwd werd. Vermoedelijk gezet door een fabriek van snoepgoed, als reclame, want ze hadden gezien dat daar een weg zou komen, dwars door het bos, zodat en plots twee bossen ontstonden.
Maar laten we ons bij het verhaal houden en niet speculeren. Het was opgezet door een kannibale heks die op deze wijze kinderen lokte. De eerste dag is ze vriendelijk, de kinderen krijgen melk en brood en natuurlijk mogen ze als dessert veel snoep van het huisje plukken. Ze mogen ook overnachten. Maar ’s anderendaags verandert de sfeer helemaal, Hansje wordt in een kooi gestopt, Grietje moet werken in huis en Hans voederen zodat hij vlug vetter wordt om op te eten. Elke dag komt de heks, die heel slecht is van zicht, voelen aan de pols van Hansje hoe het met zijn BMI gesteld is. Maar, ik zei het al, Hansje is wel naïef, maar slim en hij steekt telkens een botje (van een of andere kip?) door de tralies.
Na enkele weken is de heks het beu, mager of vet, Hans wordt haar volgende maaltijd. Grietje moet de ketel water opzetten en het brood uit de oven halen. Zus wil niet onderdoen voor slimme broer, gelijkheid van gender weet je wel en onder het mom van: “Ik weet niet hoe ik de oven moet open maken” laat ze de heks het voordoen en duwt haar in de oven. De geur van verbrand vlees is niet te harden. Grietje verlost Hans uit de kooi, gaan het huisje nog even in eten mee te nemen, maar vinden zakken vol parels en edelstenen. Op de terugweg komen ze aan een groot water, een grote witte eend is zo vriendelijk om voor veerboot te spelen.
Zo komen de kinderen terug thuis, stiefmoeder is ondertussen overleden, het zal niet van hartzeer geweest zijn. Vader, Hansje en Grietje leven nu niet meer in armoede, Eten is er genoeg. Ik weet niet hoe parels en edelstenen smaken.

Sinbad (ontwerper: Willy Coppens, bouwer: Veur de leute)

De reizen van Sinbad de Zeeman behoort tot de populairste en meest opnieuw vertelde verhalen van de Duizend-en-één-nacht, net zoals Aladin en de wonderlamp en Alli Baba en de veertig rovers. De omzwervingen van Sinbad zijn vaak vergeleken met de Odyssee van Homerus (Grieks) en met Aeneas van Vergilius (Latijn) en andere klassieke “uit de duim gezogen” reisverhalen.
Hij maakte zeven reizen, die telkens ongeveer gelijkaardig verliepen: in het begin alles vlot, dan een voorval waarop alles misgaat, ontberingen, maar steeds opnieuw eindigend dat de reis heel veel “geld” opbracht.
Een voorbeeld van de eerste reis:
De bemanning is een beetje moe na een zware storm en het schip legt aan bij een eiland. Het is vrij koud en de bemanning stookt een vuurtje. Het eiland blijkt een enorme vis te zijn, die al zolang stilligt dat er planten op zijn rug groeiden. Het dier houdt niet van vuurtje stook en duikt weg. Vliegensvlug klautert de bemanning aan boord, Sinbad is te laat en wordt achter gelaten. Natuurlijk overleeft onze ”held”, hij spoelt aan op een eiland en redt daar de merrie van de koning die bedreigd werd door een zeepaard (al eens de verhoudingen gezien tussen een paard en een zeepaard?)
Even later legt ook zijn schip aan op het eiland en Sinbad eist zijn koopwaar op en schenkt het aan de koning. Die is zo tevreden met de koopwaar dat hij Sinbad overlaadt met prachtige, zeer waardevolle geschenken. Hij is rijk, zeer rijk.
Dan verkwanselt hij zijn rijkdom, en wordt genoopt om opnieuw handel te drijven die hem steeds weer schatrijk maakt.
Simbad werd het prototype van de reiziger, altijd op stap, steeds problemen en gevaren dapper het hoofd biedend. Ook al is hij een welgesteld koopman, reizen en de zucht naar avontuur zit hem in het bloed. Steeds opnieuw zoekt hij de zee op.
Hij is een toonbeeld van ondernemingszin, een symbool voor de snel opkomende handel van de Arabieren in de eerste eeuwen van de islam.

Roodkapje (ontwerper: Jos Pattijn, bouwer: The Stewards)

Een van de bekendste sprookjes, eveneens van Charles Perrault, maar de latere versie van de gebroeders Grimm is vooral bekend. Onderzoek bracht echter aan het licht dat het al in de 1ste eeuw in het Midden-Oosten bestond.

Een klein lief meisje (dat zijn ze meestal op zo’n jonge leeftijd) had van haar grootmoeder een rood kapje gekregen. Het meisje was er zo tevreden mee dat ze het altijd droeg en zo dus Roodkapje werd genoemd. Moeder vraagt haar om met een mandje vol lekkers en een fles wijn naar grootmoeder te stappen die ziek te bed ligt. Wijn als medicatie, ik denk dat er nog veel ziek willen zijn!
Hoe lief ze ook is, een beetje ondeugd is haar ook niet vreemd. Tegen het “gezaag” van moeder loopt ze wel door het bos. Natuurlijk loopt daar ook een wolf rond, ze zijn tegenwoordig l tot in Oost-Vlaanderen te vinden. Roodkapje heeft echter nooit naar Karrewiet, het kinderjournaal van Ketnet, gekeken en weet niet dat dit een gevaarlijk dier is. De wolf doet zich ook heel vriendelijk voor trouwens. Tijdens het babbeltje vertelt Roodkapje dat ze grootmoeder gaat bezoeken en zegt er natuurlijk ook bij waar deze woont. Gelukkig voor de wolf, want die was zijn laptop vergeten en kon dus niets opzoeken op Instagram of TikTok, waarop hij trouwens nooit naar die domme dansjes keek. De wolf kende het parcours op zijn duimpje en was dus heel vlug bij oma, vrat haar in een haastje op, verkleedde zich en ging in bed liggen. Toen Roodkapje aankwam stond de deur open, ze ging onmiddellijk naar oma’s slaapkamer. Jammer genoeg had ze haar brilletje thuis vergeten en zag geen verschil.
Heel bekend is het gesprek tussen wolf en Roodkapje, zo van:
Grootmoeder, wat heb je grote ogen
Dat is om je beter te zien mijn kind
Oma, wat heb je grote oren
Dat is om je beter te horen lief kind
Moemoe, wat heb je een grote neus
Dat is omdat ik veel lieg)
(sorry, zit in een ander verhaal
Grootje, wat heb je grote tanden
Dat is... maar dat hoorde het meisje niet meer, want ze zat ondertussen al bij de echte oma in de buik van de wolf.
Om kort te gaan, de wolf valt in slaap na deze fijne maaltijd, snurkt zo luid dat de jager het hoort, naar binnen stapt, de wolf in oma’s kleren ziet met een dikke buik. Hij beseft dat grootmoeder op die leeftijd niet meer zwanger kan zijn en zijn eurocentje valt. Even een keizersnede uitvoeren denkt de jager, die nog voor gynaecoloog had gestudeerd, en grootmoeder en Roodkapje verschijnen zonder één krasje op de carrosserie. Roodkapje helpt de jager om de buik op te vullen met zware stenen, even dichtnaaien en klaar is kees, in dit geval de jager die geen Kees heette. Zoals gezegd, het verhaal van Perrault was in het Frans en wie heet nu Fromage?
Wolf wordt wakker, heeft hevige dorst, ziet de fles wijn niet, trouwens dieren drinken geen wijn, loopt naar buiten, wil water uit de put opslurpen, door te buigen rollen de stenen naar voor, hij kantelt en valt in de put. Wie een put graaft voor een ander is hier niet van toepassing, de put was er al en werd nu het graf van de boze wolf)
Eind goed, al goed, behalve dan voor de wolf. Bij Perrault overleefde Roodkapje ook niet de gebroeders Grimm waren is minder hardvochtig.

Het Sprookjebos (ontwerper: Marc De Kerpel, bouwer: De Sterre Plukkers)

Dit is eigenlijk geen sprookje, maar een ruimte (park, bos...) waar meerdere sprookjes te beleven zijn.
Een van de meest bekende is de Efteling in Kaatsheuvel Nederland. Ook in Valkenburg (Ned) is een groot park, in België is er een in Westerlo.
De naam wordt ook vaak gebruikt voor kinderdagverblijven en kledingswinkels met specifiek kinderkledij. Ook tijdelijke evenementen voor kinderen krijgen vaak deze naam.
De start van het Sprookjesbos in de Efteling start in 1952. Op een familiebijeenkomst rond 1950, in een café met speelpleintje ontstond de idee om wat uit te breiden met iets “leuks” (we zijn in Nederland hé!) Peter Reijnders, werkzaam bij Phillips in Eindhoven, waar net een soort tentoonstelling gehouden wordt over sprookjes bedenkt om zo iets driedimensionaal uit te werken. Hij neemt contact op met Anton Pieck, op dat moment een gevierd illustrator van sprookjesboeken. Hij staat in voor de vormgeving, Peter voor de technische snufjes. Er wordt twee jaar gewerkt om de eerste tien sprookjes uit te beelden in wat men op de Efteling het Sprookjesbos noemt. Ondertussen is dit uitgegroeid tot zes hectare en dertig verhalen, voornamelijk van Charles Perrault, gebroeders Grim en Hans Christian Andersen. Ook onze oud-koningin Fabiola heeft er verhalen voor geschreven.
De wagen zou de openingswagen kunnen zijn als een soort korte inhoud, of als laatste, een samenvatting van de lichtstoet.

Meisje met de Zwavelstokjes (ontwerper: Jos Pattijn, bouwer: De Buit’nlupers)

Den Lille Pige med Svovlstikkerne is zo moeilijk uit te spreken, maar dit is de oorspronkelijke titel die Hans Christian Andersen aan zijn verhaaltje gaf in 1845.
Een klein meisje loopt op oudejaarsavond door de straat, haar dunne mutsje beschermt haar helemaal niet, net als de paar dunne lappen stof rond haar lijfje. De sloffen die ze van moeder had gekregen en veel te groot waren was ze verloren. Een jongen nam ze net voor haar neus weg en ging er vandoor, al roepend: ”Die kan ik gebruiken als wieg voor mijn kinderen als ik groot geworden ben!” Liefst zou het meisje zijn thuis gebleven, hoewel het daar ook ijzig koud was op die zolderkamer waar wind en sneeuw door de kapotte dakpannen bliezen. Maar haar vader stuurde haar de straat op om zwavelstokjes te verkopen.
Mensen liepen haastig aan haar voorbij met de laatste boodschappen voor het feest vanavond. Ze had van heel de dag niet één stokje aan de man kunnen brengen, zelfs geen eurocentje was haar gegund. Bibberend van de kou wou ze een stokje aansteken om zich even te verwarmen aan de felle gloed. Ze durfde niet, bang om weer slaag te krijgen als ze thuis kwam, zonder een centje en met een stokje minder.
Uiteindelijk kon ze het niet meer verdragen, de wind sneed door merg en been. Ze streek een stokje aan tegen de muur. De felle vlam deed haar fantasie op hol slaan, ze zag een gloeiende kachel voor zich, ze kreeg het heerlijk warm. Ze strekte haar blote voetjes uit om deze te verwarmen maar het zwavelstokje gaf de pijp aan Maarten, die daar toevallig rondliep.
Een tweede stokje dan maar. Dit gaf een gloed op de muur van het huis waar ze zat. De muur ging “open” door het gefantaseerde raam zag ze een gedekte tafels met het fijnste porselein, in het midden een grote schaal met een vette, gebraden gans. Prettig was toen die gans, met mes en vork in de rug, fier als een pauw (een gans die pauw wordt, gebeurt alleen in sprookjes) paradeerde hij over de tafel. Het tweede zwavelstokje hield het voor bekeken en er bleef slechts een zwart verkoold stukje over in de bibberende handen van het kind. De muur werd weer muur.
Ik wist niet dat er in zwavelstokjes LSD zat, of ETC, wiet... zat, maar blijkbaar hadden de vlammetjes van die stokjes hetzelfde effect!
Bij het derde zag ze haar grootmoeder, omie zoals ze ze altijd had genoemd, de enige die altijd heel lief was geweest voor het meisje. Bij de volgende stokjes zag ze haar grootmoeder steeds duidelijker en duidelijker, ze zat op de arm, omie schommelde haar, reed paartje...
Toen het laatste stokje doofde was grootmoeder verdwenen. Het kind was bezweken onder de ijzige kou. Omstaanders zagen het verkleumde, blauwe lichaampje liggen, een glimlach om de mond. Niemand besefte welke mooie momenten ze nog heeft mogen beleven met het omaatje.

Tafeltje dek je (ontwerper: Marc De Kerpel, bouwer: Lucske)

Alweer een sprookje van de gebroeders Grimm uit 1812.
Een kleermaker heeft drie zonen en ze krijgen elke dag de melk van hun geit als maaltijd. De geit moet dus goed gevoed worden en wordt elke dag naar de wei gebracht. De oudste zoon brengt de geit op een dag naar het kerkhof, want daar groeien de lekkerste plantjes. Hij vraagt de geit of ze voldoende gegeten heeft. Deze knikt bevestigend. Thuisgekomen vraagt de vader hetzelfde, maar de geit zegt nee! De kleermaker verwijt zijn zoon een leugenaar te zijn en ranselt hem het huis uit.. Zo vergaat het de volgende dagen ook met zijn andere kinderen.
Vader zal nu wel zelf voor de geit zorgen, maar het beest lapt hem net hetzelfde als de kinderen. Ter plaatse: “Genoeg gegeten?”. Ja. Thuis: “nee”.
De kleermaker beseft nu dat de geit heel de tijd heeft gelogen en hij zijn zoons strafte voor iets wat ze niet gedaan hadden.
De oudste zoon gaat nu werken bij een meubelmaker, die is zo tevreden over het werk dat hij hem een houten tafeltje geeft, een “specialeke”, als je zegt Tafeltje dek je”, dan is het ook meteen gedekt met lekkere spijs en drank. De jongen wil naar huis om het te tonen, maar het is ene lange tocht en hij overnacht in een herberg. Fier over zijn geschenk toont hij wat het tafeltje doet. ‘s Anderendaags gaat hij verder en thuis wil hij het tafeltje aan heel de familie tonen. Maar het tafeltje doet helemaal niets. De herbergier heeft het tafeltje geruild voor ene identiek gewone tafel. Uitgelachten door iedereen verlaat hij met blozende wangen het huis.
De tweede zoon gaar werken bij een molenaar. Uit dank voor zijn flinke en noeste werk krijgt hij een ezel. Niet ene zoals ikzelf, maar eentje dat goud schij...
Toevallig passeert hij dezelfde herberg waar hij zal overnachten. Na een povere maaltijd wil hij afrekenen, de waard vraagt veel meer dan hij verwacht had en de jongen gaat naar de stal om enkele goudstukken uit zijn ezel te “pinnen”. De waard is hem echter gevolgd, denkend dat de jongen zou weglopen zonder betalen. Hij ziet wat er gebeurt, wisselt ’s nachts de ezels en gebaard van krommenhaas als de gast vertrekt.
Thuis natuurlijk hetzelfde lied, zoon wil heel de familie uitnodigen om de kunsten te tonen, maar buiten wat “ia’s” komt er niets uit de ezel. De zoon druipt verdrietig en ontstemt het huis uit.
De jongste gaat in dienst bij een houtdraaier. Hij is via brieven op de hoogte wat zijn oudere broers is overkomen, inclusief wat vermoedelijk in die herberg gebeurde. Hij krijgt een bijzondere knuppel, als je zegt: “Knuppel uit de zak” valt deze de bedrieger aan en stopt enkel als men zegt: “Knuppel in de zak”.
Hij gaat naar de herberg en vertelt daar het verhaal die hij hoorde over een bijzonder tafeltje en een goudezeltje. De waard doet alsof zijn neus bloedt, nooit van gehoord! De waard is wel benieuwd wat in die zak steekt, edelstenen, goud, andere dure spullen? ’s Nachts trekt hij stilletje de deur open van de slaapkamer, wil naar de zak grijpen, maar de jongen roept van uit zijn bed: “Knuppel uit de zak”. De waard wordt zodanig afgeranseld dat hij bekend het tafeltje en de ezel in zijn huis te hebben. “Knuppel in de zak” en de jongen verlaat ’s morgens de herberg, met zijn knuppel, het tafeltje en de ezel.
Je raadt het al denk ik. Heel de familie wordt uitgenodigd, inclusief de twee oudere broers. Vader denk natuurlijk alweer aan een idiote vertoning, maar de knuppel werkt wel degelijk, hoewel er niemand is bij wie die moet gebruikt worden, de oudste kan nu zijn gelijk halen de tafel werkt perfect en ieder geniet van de lekkerste dingen. Als afscheid krijgen ze allemaal nog wat goudstukken mee, want ook de tweede zijn ezel doet wat er van verlangt wordt.
Volgens mij heeft de jongste ook de geit uitgenodigd om de kunstjes van zijn knuppel te laten zien!

Repelsteeltje (ontwerpster: Patricia Vereecke, bouwer: Dekenij Ledeberg)

Niet te verwarren met die andere versie: Tepelstreeltje! Een sprookje voor volwassenen!
De eerste versie stamt vermoedelijk uit 1705, maar het is weerom de versie van de gebroeders Grimm die het meest bekend is.
Een molenaar, het lijkt wel alsof in die tijd er enkel koningen, molenaars of houtbewerkers bestonden. Gelukkig zijn er nu niet veel molenaars meer, met een tekort aan graan door bepaalde omstandigheden zouden ze werkloos zijn.
Die molenaar dus had een dochter waarop hij zeer fier was en er vaak een schepje bovenop deed, zo beweerde hij dat ze goud kon spinnen! Zo iets moet je niet te luid zeggen, al zeker niet als een koning dat hoort, want die houdt van goud (moeilijke zin voor West-Vlamingen!) De dochter wordt onmiddellijk ontboden, opgesloten in een kamer vol met stro. Ze heeft de hele nacht de tijd om te bewijzen dat ze dat kan, zoniet wacht haar een vreselijke dood! Ja, tirannen zijn er van alle tijden. Het meisje zit troosteloos en bang de volgende ochtend af te wachten. Maar waar hij uitkomt weet ze niet, maar een klein ventje staat plots naast haar en zegt dat hij goud kan spinnen in ruil voor haar halsketting. als je mag kiezen voor je halsketting of voor de dood is de keuze vlug gemaakt zo denk ik toch.
Wat denk je, als de koning de volgende ochtend al het goud ziet is hij dolgelukkig! Mis poes, hebberige koningen willen steeds meer, presidenten ook maar die bestonden toen nog niet.
Hij wil dat ze de volgende nacht opnieuw goud spint. Opnieuw verschijnt het mannetje, nu wil hij haar ring. Geen probleem natuurlijk. Keuze alweer vlug gemaakt.
De derde nacht wordt het moeilijker, hij eist haar eerstgeboren kind. Maar een beetje logisch denken kan geen kwaad, een zwangerschap duurt negen maanden, ook in sprookjes en als ’s anderendaags de dood kan volgen, ja, dan zeg je toe natuurlijk, we zien later dan wel.
Bergen vol goud hebben de voorbije drie dagen opgeleverd. Het meisje heeft nu bewezen dat haar vader gelijk had (sic). Zijn besluit staat vast, hij maakt van haar de koningin, zo is hij voor heel zijn leven zeker van bergen goud, wat is liefde daarentegen?
Een jaar verstrijkt, ja, het is niet altijd op de huwelijksnacht dat een kind gefabriceerd wordt hé! De koningin is dus zwanger en het ventje komt haar zeggen haar belofte na te komen.
Maar het ventje is iets aardiger dan de koning toentertijd en bezwijkt onder haar tranen. Als ze kan raden hoe hij heet mag ze het kind houden.
Ze verzameld alle mogelijke namen die er toen waren, want men was nog gehouden een kind naar een heilige te heten, niet zoals vandaag het geval is. Maar helaas, gene enkele van die namen slaat op het ventje, veel tijd rest er niet. Toeval hé, maar iemand uit de omgeving van de koningin die het verhaal kende, hoorde op een nacht het ventje in het bos zingen rond een kampvuur: “Heden bak ik, morgen brouw ik, overmorgen haal ik het koningskind. Niemand weet, niemand weet, dat ik Repelsteeltje heet.
En op wat zijn geluksdag moest worden, hoewel, wat ben je nu eigenlijk met een koningskind, gaat het ventje naar de koningin en stelt zijn laatste ultimatum: “Hoe heet ik?” Vloekend en tierend verlaat hij de kamer nadat de koningin met een brede smile op haar gezicht zegt: “Repelsteeltje”. Hij zakt halfweg door de grond en scheurt zichzelf ik twee. Ik zou je aanraden dit niet zelf te proberen.