Volgende wagens werden door de artistiek begeleider voorgesteld aan de ontwerpers op de vergadering van 13 januari 2006:

Wagen 1: de geboorte

Salzburg, 27 januari 1756, ik weet het nog goed, ik was erbij! Het was 8u 's avonds. Papa Leopold en mama Anna Maria Pertl waren fier, maar toch ook een beetje bezorgd. Ik was de zevende op rij, maar vroegere broertjes en zusjes waren zeer vlug overleden, enkel mijn 5 jaar oudere zus Nannerl leefde nog.
Mijn geboortehuis stond in de Getreidegasse nr 9, we woonden op de 2de verdieping.
Ik kreeg volgende namen tijdens mijn doopplechtigheid op 28 januari (men doopte toen snel omdat er veel kindjes na enkele dagen vaak doodgingen): Johannes Chrysostomus Wolfgangus Theophilus (Gottlieb). Later leerde ik dat Theophius (Grieks: geliefd door God, Theo = God) of Gottlieb (Duits) ook Amadeus (Latijn: Deus = God, Ama, zie Frans Aimer) betekende, en Wolfgangus kortte ik in. Ik noemde mezelf dus Wolfgang Amadeus.
Mijn vrouw zal me later Woelfie noemen, als ze goed gezind is op mij, want anders…!

Willy Coppens zag wel brood in een kleine

Wagen 2: wonderkind

Nannerl kreeg les van papa, hij was muziekleraar.
Ik was toen 3 jaar en zat op de grond te spelen met mijn spulletjes. Na de les van zus ging ik wat op de piano* tokkelen. Ik moet zeggen, ik deed dat helemaal niet slecht! Vader zag, of beter, hoorde dat ook, en al heel vlug kreeg ik les op het klavecimbel.
Toen ik 5 jaar was componeerde ik mijn eerste muziekstukjes: een andante en een allegro voor piano. Muziek schrijven kon ik nog niet, papa noteerde wat ik speelde.
Als ik muziekje één- of tweemaal hoorde kon ik het al naspelen. Men noemt dit muzikaal gehoor, naar het schijnt.
Men heeft me verteld dat ik van toen af niet meer omkeek naar mijn speelgoed. Ik zat voortdurend aan de piano of met de viool. Men moest me er werkelijk afsleuren om te eten of om doke te gaan doen. Vader schreef eens over mij dat ik "componeerde tussen de soep en de patatten".
De optredens van zus en mij waren telkens weer een groot succes, de mensen keken hun ogen uit op die 2 jonge snaken die zongen, piano en viool speelden.
Vader wist het publiek te bekoren met onze kunstjes. Met blinddoek of met afgedekt klavier spelen, improviseren op geluiden uit de zaal…

de piano zoals we ze nu kennen bestond nog niet, de snaren werden niet aangeklopt met hamertjes, maar met veren (pluimen)

Mark De Kerpel zal zich over het wonderkond ontfermen

Wagen 3: mijn papa

Mijn papa Leopold werd geboren in 1719 in Augsburg, dat was toen een vrijstaat in het zuiden van Duitsland. Zijn vader, mijn grootvader dus, was boekbinder. Papa studeerde aan de Benedictijnen Universiteit in Salzburg: filosofie en rechten. Maar (ik heb het van niet ver geërfd!) hij verwaarloosde zijn studies om de muziek. Hij verlaat de universiteit en wordt musicus en huisknecht bij de kanunnik van de kathedraal in Salzburg. In 1747 trouwt hij met mama.
> Het jaar dat ik werd geboren kwam zijn eerste grote boek uit: "Versuch einer gründichen Violinschule".
Papa is altijd heel erg streng geweest, maar ik had dat misschien wel nodig, want ik was nogal een losbol, zei men.

Niemand bleek interesse te hebben voor Leopold!

Wagen 4: mijn eerste reis

Vader was heel erg opgetogen met zijn 2 kinderen die zo muzikaal begaafd waren en besloot om wat centjes bij te verdienen. Toen ik 5 jaar was trokken we met zijn allen op reis naar Munchen. Daarna trokken we naar Wenen. Zus en ik speelden voor rijke mensen, bij graven, hertogen, prinsen, koningen en keizers. Maar we logeerden met zijn allen op één kamer, boven een timmerwinkeltje. Ik bedoel natuurlijk papa en ik in een bed en mama met Nannerl in het andere bed. Niet die prinsen en hertogen natuurlijk…

Wagen 5: de grote tournee

Soms verdienden Nannerl en ik op 2 dagen wat vader op 4 maand verdiende in Salzburg als kapelmeester. Geen wonder dus dat hij besloot om een veel grotere reis te ondernemen. We vertrokken op 9 juni 1763. De wegen waren in Duitsland bijzonder slecht. En door het slechte weer en de modder brak een wiel van onze koets.
We trokken naar alle grote muzikale steden in Europa: ook Parijs en Versailles, Londen, Amsterdam… Jammer genoeg waren we een weekje te laat in Gent, tussen 4 en 6 september 1765 waren we daar. Ik had nochtans heel graag de Lichtstoet in Ledeberg gezien, maar die was eind augustus.
Pas eind november 1766 waren we terug in Salzburg.

Er werd beslist om beide voorstellen tot één wagen te combineren. Mark De Kerpel zal het ontwerp uitvoeren.

Wagen 6: Italië

Italië was het land bij uitstek voor alle grote kunstenaars. Schrijvers, schilders, musici moesten in Italië zijn geweest. Paps en ik trokken dan ook in december 1769 naar Verona, daarna Milaan, Bologna en Florence. Daar moest ik een examen afleggen: moeilijke stukken spelen, fuga's afmaken, improviseren op thema's. Pff, een fluitje van een cent zo'n examentje! Papa schreef naar mama: "Onze Amadeus legde het examen af alsof hij een broodje at". Daarna reisden we door naar Rome. In de Sixtijnse kapel luisterden we naar het bekende Miserere van Allegri. De arrangementen waren een goed bewaard geheim van het Vaticaan. Maar alles zat al in mijn bolleke en enkele dagen later schreef ik heel de muziek naarstig uit. We probeerden Napels, maar we hoorden dat we op audiëntie moesten bij Clemens XIV, de Paus in Rome. Ik kreeg de titel "Ridder van het Gulden Spoor".

Remi Coune houdt deze wagen nog in beraad.

Wagen 7: "Vrijheid"

Eindelijk, ik was 21. Niet die leeftijd, maar de beslissing van prins Colloredo, de werkgever van mijn vader en mezelf zorgde ervoor dat ik voor het eerst zonder hem kon reizen. Ik trok naar Mannheim en Parijs, met moeder. Jammer genoeg stierf ze op deze reis.
Deze tournee was geen succes, nu pas besef ik wat mijn vader allemaal bekokstoofde om aan al die hoven te kunnen spelen.
Tijdens deze reis leerde ik de familie Weber kennen. Ik werd verliefd op Aloysia, een begaafde zangeres. Later wees ze me echter af en uiteindelijk ben ik met Stanzi (Constanza Weber) getrouwd, de 2 jaar jongere zus van Aloysia.
Overdag werkte ik hard aan mijn muziek, verzorgde optredens of gaf les. 's Avonds gingen we vaak feest vieren, vooral in het carnavalseizoen (duurde 3 maand) Thuis ontspande ik me soms op mijn biljarttafel.

Na heel diep gepeins besloot Rudy Vereecke in te tekenen voor dit ontwerp.

Wagen 8: de opera, algemeen

Opera is een Italiaans woord voor werken. Iets wat ik de laatste 10 jaar van mijn jonge leven hard heb moeten doen.
Maar het is natuurlijk ook een muziekopvoering, gezongen toneel zou je kunnen stellen. In elke opera seria (een serieuze opera in tegenstelling tot de opera buffa, de komische opera) komen steeds dezelfde 5 protagonisten (hoofdrollen) voor:

Ze worden vaak voorgesteld door figuren van het kaartspel.

Willy Coppens hoorde "kaartspel" en was meteen enthousiast!

Wagen 9: Le Nozze di Figaro (opera buffa) (extra uitleg voor ontwerper)

De opera start met: "Cinque... dieci.... venti... trenta... trentasei...quarantatre…". Figaro zit op zijn knieën. Niet als teken van verheerlijking van een adellijke, maar met zijn meetstok meet hij of de kamer groot genoeg is voor zijn huwelijksbed.
Figaro is de knecht van de graaf, voorheen was hij kapper (De Barbier van Sevilla)
Op de trouwdag van Figaro en Susanna spelen zich vele intriges af. De graaf heeft een oogje op Susanna, Cherubino heeft een oogje op de gravin, Marcellina wil Figaro aan zijn belofte houden om met haar te trouwen, de gravin wil de liefde van haar man nieuw leven inblazen. Uiteindelijk bedenken Figaro, Cherubino, de gravin en Susanna een valstrik om de graaf op zijn nummer te zetten. De graaf wordt verleid door de jonge mannelijke Cherubino, vermomd als Susanna. Eind goed al goed; de graaf vraagt vergiffenis aan zijn vrouw.

Rudy Vereecke ontpopte zich als operakenner. En zong meteen de Europese hymne van Beethoven

Wagen 10: Don Giovanni (extra uitleg voor ontwerper)

In het eerste bedrijf laat ik in het huis van de Commendatore een duel uitvechten tussen hem en Don Giovanni omdat deze laatste zijn dochter wou verleiden. De Commendatore wordt hierbij gedood. In het 2de bedrijf ontmoeten Don Giovanni en Leporello elkaar op het kerkhof. DG nodigt het stenen standbeeld van de Commendatore al lachend uit voor een diner, nadat het beeld om stilte had gevraagd op de gewijde grond.
In de kamer met een overvloedig gedekte tafel komt plots het stenen beeld (met paard) de kamer binnen. Hij vraagt 9 maal aan Don Giovanni om zijn leven te beteren. Telkens is het antwoord nee, hierop wordt DG door de aarde verzwolgen.

Remi aarzelt tussen dit voorstel en Italië".

Wagen 11: Cosi fan Tutte (extra uitleg voor ontwerper)

Ik weet niet goed meer of het de afwijzing geweest is door Aloysia of het feit dat andere vrouwen me gekrenkt zouden hebben. Maar met deze opera, letterlijk in jullie taal vertaald als "Ze zijn allemaal gelijk" stel ik de ontrouw van alle vrouwen in het licht.

Willy Coppens zag het decorontwerp van Mauro Carsi en was meteen verkocht.

Wagen 12: Die Zauberflöte (extra uitleg voor ontwerper)

Moet ik daarom zo oud(?) (ik ben 34) geworden zijn om muziek voor "Sprookjes" te schrijven? In maart zette ik me aan het werk, tegen de zomer moest de opera klaar zijn!
In dit gebouwtje schreef ik de muziek voor de Toverfluit.

Remi Coune opteerde om de laatste opera van Mozart toch ook een plaats te geven.

Wagen 13: de spreeuw (extra uitleg voor ontwerper)

Op 27 mei 1784 kocht ik voor 4 cent in een dierenwinkel een spreeuw. Ik raakte zeer gehecht aan het beest. Ik leerde hem een thema fluiten uit mijn zeventiende pianoconcert in G (KV 453) en in een aantekenboekje noteerde ik de desbetreffende muziekregel en ook de imitatie van de spreeuw. Alhoewel de vogel de juiste melodie niet helemaal te pakken had - sommige noten werden ten onrechte een halve toon verhoogd - was ik erg opgetogen. Na 3 jaar overleed het beestje, ik was er het hart van in. Een week later schreef ik "Ein musikalischer Spass" (KV 522). Een stuk dat musicologen voor raadsels stelde.

Was Amadeus heel erg opgetogen met zijn beestje, de ontwerpers lieten het dier links liggen.

Wagen 14: Salieri

Ja, wat moet ik daarmee? Hij was de hofcomponist en later "kapelmeister" van keizer Jozef II. Hij had grote invloed op de keizer zelf en ook op Rosenberg, de operadirecteur. Ik moest op een goed blaadje staan bij hem wilde ik ook werk vinden aan het keizerlijke paleis. Maar zijn muziek was nogal conservatief, terwijl ik vernieuwend wou zijn.
Zijn lijst van leerlingen is nogal indrukwekkend: Beethoven, Schubert en Liszt bijvoorbeeld behoorden tot zijn leerlingen.
Naar het schijnt heeft een meneer Milos Forman een film (ken ik niet, dat is zoiets als een toneelstuk of een opera, maar met niet echte mensen) gemaakt met als titel "Amadeus", maar eigenlijk gaat dit helemaal over Antonio Salieri. Hij is opgenomen in een gekkenhuis en vertelt aan de priester hoe hij zich heeft afgekeerd van God omdat Hij mij had uitverkoren om die goddelijke muziek te componeren, ik, de losbol, en niet hij, de deftige man uit Italië die al jaren voor de keizer werkte in Oostenrijk. Hij heeft zelfs het kruisbeeld in het vuur gegooid uit wraak tegen God.

Mark De Kerpel zal de wagen voor deze hofcomponist ontwerpen.

Wagen 15: Requiem

Constanze was op kuuroord in Baden. Ze had onze zoon Carl Thomas natuurlijk mee, waar de pasgeboren Frans Xaver Wolfgang was weet ik niet meer. Ze was mijn levensstijl een beetje moe en ik spendeerde teveel tijd aan muziek, zonder dat er echt wel centjes in de lade kwamen. Ik kreeg bezoek van een onbekende die me vroeg een Requiem te schrijven. Hij deed een flinke vooruitbetaling, en hoe vlugger ik de dodenmis zou klaar hebben, hoe meer hij zou betalen. Maar "De Toverfluit" moest ook af zijn en "La Clemenza di Tito". Op 5 december 1791 ben ik overleden, het Requiem bleef onvoltooid. Mijn leerling Carl Süsmayer heeft het uiteindelijk afgewerkt. Graaf Franz Walsegg zu Stuppach, zelf amateur-componist, kreeg dus zijn dodenmis voor zijn vrouw.

Wagen 16: de dood

Wenen, wenen. Niet wenen aan mijn graf op het met groen overgoten kerkhof van Sankt Marxer Friedhof. Ik werd indertijd neergeploft in een massagraf. De lijkkoets verliet de stad, daar aan de stadspoort moesten, op keizerlijk bevel, de nabestaanden achterblijven. Dit was niet enkel tegen mij hoor, dat was de algemene regel.
In een doek werd ik in een graf gedumpt bij een tiental anderen. Ook dat gebeurde met iedereen, tenzij je natuurlijk van adel was!
Het monument is veel later aangebracht, in 1855, bijna 100 jaar na mijn geboortejaar.
Het schijnt een witte engel te zijn aan een gebroken Griekse zuil, symbool voor de dood. Ik zal er bij mijn volgend bezoek in een ander leven eens naar kijken. Net als naar dat hypermoderne gebouw van de gsm-operator T-mobile (wat dat ook moge zijn, een gsm?) Er zijn trouwens nog heel wat dingen die ik dan moet zien of horen. Zoals die film over Salieri, of mijn muziek op plaat, video of dvd. Allemaal onbekende dingen voor mij hoor! En ik sta ook op een muntstuk van 1 euro in Oostenrijk, wij werden betaald met dukaten!
O ja, in de jaren negentig, en ik bedoel dan 1990 heeft een Amerikaanse professor uitgedokterd dat ik gestorven ben aan een infectie veroorzaakt door haarwormen in varkenskoteletjes. Ze smaakten nochtans zo heerlijk! Bijna zo lekker als mijn ballen; de Mozartküglen bedoel ik dus, hahahaha…

Na zijn ontwerp vorig jaar over WO I, blijft Pascal Deconinck in de sfeer, zowel de dodenmis (requiem) als de dood van Mozart neemt hij voor zijn rekening.

terugterug naar lichtstoet